Hoogleraar Esther Captain: kleinkinderen kunnen stilte slavernijverleden doorbreken

· - leestijd 1 minuut
Afbeelding

UTRECHT – Kleinkinderen en latere generaties van nazaten van tot slaaf gemaakten kunnen een belangrijke rol spelen bij het doorbreken van stiltes rond het koloniale verleden. Historicus Esther Captain wil onderzoeken hoe nieuwe generaties pijnlijke familiegeschiedenissen opnieuw bespreekbaar maken en daarmee bijdragen aan erkenning, verbinding en herstel.


Dat maakte zij afgelopen woensdag, 14 oktober, duidelijk tijdens haar oratie aan de Universiteit Utrecht, waar zij de bijzondere leerstoel Intergenerationele Impact van Slavernij- en Koloniale Geschiedenis bekleedt.

In haar rede, getiteld Breuken en schakels, beschrijft Captain hoe slavernij en kolonialisme families en gemeenschappen generatieslang hebben beïnvloed.

Gedwongen verplaatsingen, het uiteenvallen van gezinnen en het verlies van taal, cultuur en familiegeschiedenis hebben diepe sporen achtergelaten. Die gevolgen verdwijnen niet automatisch met het verstrijken van de tijd.

Kleinkinderen doorbreken stilte

Volgens Captain blijkt uit bestaand onderzoek dat mensen die ingrijpende gebeurtenissen hebben meegemaakt daarover vaak zwijgen tegenover hun kinderen. Soms willen zij volgende generaties niet belasten met herinneringen aan geweld, verlies, schaamte of schuld.

Ook de tweede generatie kan afstand houden van het verleden. Bij kleinkinderen ontstaat daarentegen regelmatig de behoefte om de geschiedenis van hun grootouders alsnog te achterhalen.

Captain wil onderzoeken of dit patroon, dat zij het ‘derde én volgende generatie-effect’ noemt, ook herkenbaar is bij families die verbonden zijn met het Nederlandse slavernij- en koloniale verleden.

Daarbij richt zij zich zowel op nazaten van tot slaaf gemaakten als op families van voormalige plantagehouders, koloniale bestuurders en andere betrokkenen bij het koloniale systeem.

Verbinding tussen Curaçao en Indonesië

Het onderzoek kijkt nadrukkelijk verder dan afzonderlijke voormalige koloniën. Captain wil de geschiedenissen van het Caribisch gebied, Suriname, Indonesië en Zuid-Afrika met elkaar verbinden.

Volgens haar is de koloniale geschiedenis lange tijd vooral vanuit afzonderlijke gebieden bestudeerd, terwijl mensen, handelsroutes, bestuursvormen en ideeën voortdurend tussen verschillende continenten werden verplaatst.

Als voorbeeld noemt zij Johannes van den Bosch, die in de negentiende eeuw betrokken was bij het koloniale bestuur in Nederlands-Indië, Suriname en Curaçao.

Dergelijke historische verbindingen bieden volgens Captain mogelijkheden om beter te begrijpen hoe koloniale bestuurspraktijken zich tussen verschillende gebieden verspreidden.

Ook de oceanen verdienen volgens haar meer aandacht als historische bron. Scheepswrakken, voorwerpen en andere sporen op de zeebodem kunnen nieuwe inzichten opleveren over slavernij, verzet en de levens van mensen die gedwongen werden overzee te reizen.

Niet alleen trauma, ook veerkracht

Captain benadrukt dat onderzoek naar de doorwerking van slavernij en kolonialisme niet uitsluitend moet gaan over trauma en ontwrichting.

Ook de manieren waarop mensen kennis, herinneringen, cultuur en veerkracht van generatie op generatie doorgeven, verdienen aandacht.

Zij ziet daarbij een belangrijke rol voor kunst, muziek, verhalen en gesprekken tussen verschillende generaties. Die kunnen verbindingen leggen met een verleden dat mensen zelf niet hebben meegemaakt, maar dat nog altijd onderdeel uitmaakt van hun familiegeschiedenis.

Captain wil onderzoeken hoe historisch letsel door de inzet van latere generaties kan worden omgezet in bewustwording, erkenning en herstel.

Daarmee richt haar leerstoel zich niet alleen op het reconstrueren van het verleden, maar ook op de betekenis daarvan voor hedendaagse vragen over identiteit, ongelijkheid, erfgoed en gemeenschap.


Deel dit artikel: